Naar de inhoud

weerspiegelen

als beeld terugkaatsen

weerspiegelen

werkwoord

Betekenis

  1. als beeld terugkaatsen
  2. overdrachtelijk: een evenbeeld zijn van iets

werkwoord

  1. een evenbeeld zijn van iets figuratively, transitive

Vervoeging van weerspiegelen

weerspiegelenhele werkwoord — weerspiegeldeverleden tijd enkelvoud — weerspiegeldenverleden tijd meervoud — weerspiegeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik weerspiegel weerspiegelde
jij weerspiegelt weerspiegelde
hij, zij, het weerspiegelt weerspiegelde
wij weerspiegelen weerspiegelden
jullie weerspiegelen weerspiegelden
zij weerspiegelen weerspiegelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is weerspiegeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was weerspiegeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd weerspiegeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt weerspiegeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal weerspiegeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal weerspiegeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou weerspiegeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou weerspiegeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had weerspiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had weerspiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden weerspiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden weerspiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben weerspiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben weerspiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te weerspiegelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weerspiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weerspiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weerspiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weerspiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weerspiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weerspiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
weerspiegel gebiedende wijs
weerspiegeld verleden tijd, deelwoord
weerspiegeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weerspiegeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weerspiegeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weerspiegeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weerspiegeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weerspiegeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
weerspiegeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
weerspiegeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
weerspiegeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weerspiegeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
weerspiegelde verleden tijd
weerspiegele aanvoegende wijs
weerspiegelend onvoltooid, deelwoord
werd weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt weerspiegeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weerspiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt weerspiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weerspiegeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weerspiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult weerspiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult weerspiegeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult weerspiegeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult weerspiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van weer bw en spiegelen

Woordfamilie van weerspiegelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
weerspiegel gebiedende wijs weerspiegelen
weerspiegeld voltooid deelwoord weerspiegelen
weerspiegelde verleden tijd weerspiegelen
weerspiegelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon weerspiegelen
weerspiegele aanvoegende wijs weerspiegelen
weerspiegelend onvoltooid deelwoord weerspiegelen
weerspiegelende woordvorm weerspiegelen
weerspiegelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon weerspiegelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weerspiegelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over weerspiegelen

Wat betekent weerspiegelen?
Weerspiegelen is een werkwoord. Het woord betekent: als beeld terugkaatsen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je weerspiegelen?
Je vervoegt weerspiegelen als volgt: de tegenwoordige tijd is weerspiegel, de verleden tijd is weerspiegelde en het voltooid deelwoord is weerspiegeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord weerspiegelen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. I 1
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

weerspiegelen levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 27 zonder bonus
  15. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

weerspiegelen in het kort

weerspiegelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van weerspiegelen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort weerspiegelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

weerspiegelen: als beeld terugkaatsen
Deel weerspiegelen — standaardnederlands.nl