weerspiegelen
werkwoordBetekenis
- als beeld terugkaatsen
- overdrachtelijk: een evenbeeld zijn van iets
werkwoord
- een evenbeeld zijn van iets figuratively, transitive
Vervoeging van weerspiegelen
weerspiegelenhele werkwoord — weerspiegeldeverleden tijd enkelvoud — weerspiegeldenverleden tijd meervoud — weerspiegeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weerspiegel | weerspiegelde |
| jij | weerspiegelt | weerspiegelde |
| hij, zij, het | weerspiegelt | weerspiegelde |
| wij | weerspiegelen | weerspiegelden |
| jullie | weerspiegelen | weerspiegelden |
| zij | weerspiegelen | weerspiegelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weerspiegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weerspiegeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weerspiegeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weerspiegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weerspiegeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weerspiegeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weerspiegeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weerspiegeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerspiegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weerspiegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weerspiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weerspiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weerspiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weerspiegel | gebiedende wijs |
| weerspiegeld | verleden tijd, deelwoord |
| weerspiegeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerspiegeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerspiegeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerspiegeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerspiegeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerspiegeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerspiegeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerspiegeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerspiegeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerspiegeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerspiegelde | verleden tijd |
| weerspiegele | aanvoegende wijs |
| weerspiegelend | onvoltooid, deelwoord |
| werd weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weerspiegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weerspiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt weerspiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerspiegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerspiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult weerspiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerspiegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerspiegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerspiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weer bw en spiegelen
Woordfamilie van weerspiegelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weerspiegel | gebiedende wijs | weerspiegelen |
| weerspiegeld | voltooid deelwoord | weerspiegelen |
| weerspiegelde | verleden tijd | weerspiegelen |
| weerspiegelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weerspiegelen |
| weerspiegele | aanvoegende wijs | weerspiegelen |
| weerspiegelend | onvoltooid deelwoord | weerspiegelen |
| weerspiegelende | woordvorm | weerspiegelen |
| weerspiegelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weerspiegelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weerspiegelen zijn vastgelegd.