weerkaatsen
werkwoordBetekenis
- door elastische botsing van richting veranderen
Vervoeging van weerkaatsen
weerkaatsenhele werkwoord — weerkaatsteverleden tijd enkelvoud — weerkaatstenverleden tijd meervoud — weerkaatstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weerkaats | weerkaatste |
| jij | weerkaatst | weerkaatste |
| hij, zij, het | weerkaatst | weerkaatste |
| wij | weerkaatsen | weerkaatsten |
| jullie | weerkaatsen | weerkaatsten |
| zij | weerkaatsen | weerkaatsten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weerkaatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weerkaatst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weerkaatst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weerkaatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weerkaatst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weerkaatst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weerkaatst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weerkaatst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weerkaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weerkaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weerkaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weerkaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerkaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weerkaatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weerkaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weerkaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerkaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weerkaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weerkaatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weerkaatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weerkaatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weerkaats | gebiedende wijs |
| weerkaatse | aanvoegende wijs |
| weerkaatsend | onvoltooid, deelwoord |
| weerkaatst | verleden tijd, deelwoord |
| weerkaatst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerkaatst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weerkaatst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerkaatst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerkaatst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weerkaatst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerkaatst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weerkaatst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerkaatst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerkaatst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weerkaatste | verleden tijd |
| werd weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weerkaatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weerkaatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weerkaatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weerkaatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weerkaatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weerkaatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weerkaatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerkaatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weerkaatst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weer bw en kaatsen
Woordfamilie van weerkaatsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weerkaats | gebiedende wijs | weerkaatsen |
| weerkaatse | aanvoegende wijs | weerkaatsen |
| weerkaatsend | onvoltooid deelwoord | weerkaatsen |
| weerkaatsende | woordvorm | weerkaatsen |
| weerkaatst | voltooid deelwoord | weerkaatsen |
| weerkaatste | verleden tijd | weerkaatsen |
| weerkaatsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weerkaatsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weerkaatsen zijn vastgelegd.