wapperen
werkwoordBetekenis
- snel heen en weer bewegen
Vervoeging van wapperen
wapperenhele werkwoord — wapperdeverleden tijd enkelvoud — wapperdenverleden tijd meervoud — gewapperdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wapper | wapperde |
| jij | wappert | wapperde |
| hij, zij, het | wappert | wapperde |
| wij | wapperen | wapperden |
| jullie | wapperen | wapperden |
| zij | wapperen | wapperden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewapperd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewapperd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewapperd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewapperd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewapperd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewapperd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewapperd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewapperd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewapperd | verleden tijd, deelwoord |
| gewapperd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewapperd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewapperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewapperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewapperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewapperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewapperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewapperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewapperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewapperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewapperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewapperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wapperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wapperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wapper | gebiedende wijs |
| wapperde | verleden tijd |
| wappere | aanvoegende wijs |
| wapperend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewapperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wapperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewapperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wapperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘fladderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1479.
Woordfamilie van wapperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewapperd | voltooid deelwoord | wapperen |
| wapperde | verleden tijd | wapperen |
| wapperden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wapperen |
| wappere | aanvoegende wijs | wapperen |
| wappert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wapperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wapperen zijn vastgelegd.