wapper
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- wip van de ophaalbrug
- een vrucht in trosvorm, bijv. sparrenwapper
- in lange ~: bijnaam voor een lange, magere man, slungel
- (Zeeland) kletsmajoor, veelprater
- (Zeeland) mond, waffel
zelfstandig naamwoord — masculine
- slinger, instrument waarmee een zwaaiende beweging wordt gemaakt obsolete
- kletsmajoor, veelprater informal
- mond, waffel informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wappers | meervoud |
| wappertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wappertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapperen
- gebiedende wijs van wapperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wapperen
Vervoeging van wapper
wapperhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van het werkwoord wapperen.
Woordfamilie van wapper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wappers | meervoud | wapper |
| wappertje | verkleinwoord | wapper |
| wappertjes | verkleinwoord meervoud | wapper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wapper zijn vastgelegd.