wanhopen
werkwoord ˈwɑnhopə(n)Betekenis
- denken dat de zaken niet meer ten goede kunnen keren
Hoe spreek je wanhopen uit?
/ˈwɑnhopən/
Wanhopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| h | hoed |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wanhopen
wanhopenhele werkwoord — wanhoopteverleden tijd enkelvoud — wanhooptenverleden tijd meervoud — gewanhooptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wanhoop | wanhoopte |
| jij | wanhoopt | wanhoopte |
| hij, zij, het | wanhoopt | wanhoopte |
| wij | wanhopen | wanhoopten |
| jullie | wanhopen | wanhoopten |
| zij | wanhopen | wanhoopten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewanhoopt | verleden tijd, deelwoord |
| gewanhoopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewanhoopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewanhoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewanhoopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewanhoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewanhoopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wanhopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wanhopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wanhoop | gebiedende wijs |
| wanhoopte | verleden tijd |
| wanhope | aanvoegende wijs |
| wanhopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewanhoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wanhopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewanhoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wanhopen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands, *samenstelling van wan bn en hopen ww
Woordfamilie van wanhopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewanhoopt | voltooid deelwoord | wanhopen |
| wanhoopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wanhopen |
| wanhoopte | verleden tijd | wanhopen |
| wanhoopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wanhopen |
| wanhope | aanvoegende wijs | wanhopen |
| wanhopend | onvoltooid deelwoord | wanhopen |
| wanhopende | woordvorm | wanhopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wanhopen zijn vastgelegd.