walgen
werkwoordBetekenis
- hevige afkeer voelen voor iets
Vervoeging van walgen
walgenhele werkwoord — walgdeverleden tijd enkelvoud — walgdenverleden tijd meervoud — gewalgdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | walg | walgde |
| jij | walgt | walgde |
| hij, zij, het | walgt | walgde |
| wij | walgen | walgden |
| jullie | walgen | walgden |
| zij | walgen | walgden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewalgd | verleden tijd, deelwoord |
| gewalgd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewalgd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewalgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewalgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewalgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewalgd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewalgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewalgd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewalgd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewalgd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewalgd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewalgd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te walgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen walgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| walg | gebiedende wijs |
| walgde | verleden tijd |
| walge | aanvoegende wijs |
| walgend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewalgd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt walgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen walgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewalgd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult walgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘afkeer voelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van walgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewalgd | voltooid deelwoord | walgen |
| walg | gebiedende wijs | walgen |
| walgde | verleden tijd | walgen |
| walgden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | walgen |
| walge | aanvoegende wijs | walgen |
| walgend | onvoltooid deelwoord | walgen |
| walgende | woordvorm | walgen |
| walgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | walgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van walgen zijn vastgelegd.