waggelen
werkwoordBetekenis
- zich zijdeling slingerend voortbewegen
- zijdelings slingerend zich ergens heen begeven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van waggelen
waggelenhele werkwoord — waggeldeverleden tijd enkelvoud — waggeldenverleden tijd meervoud — gewaggeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waggel | waggelde |
| jij | waggelt | waggelde |
| hij, zij, het | waggelt | waggelde |
| wij | waggelen | waggelden |
| jullie | waggelen | waggelden |
| zij | waggelen | waggelden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewaggeld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gewaggeld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gewaggeld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gewaggeld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gewaggeld worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gewaggeld zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gewaggeld worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gewaggeld zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewaggeld | verleden tijd, deelwoord |
| gewaggeld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewaggeld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gewaggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te hebben/zijn gewaggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te waggelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen waggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waggel | gebiedende wijs |
| waggelde | verleden tijd |
| waggele | aanvoegende wijs |
| waggelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewaggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen waggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult waggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘wankelen’ voor het eerst aangetroffen in 1430
Woordfamilie van waggelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewaggeld | voltooid deelwoord | waggelen |
| gewaggelde | woordvorm | waggelen |
| waggel | gebiedende wijs | waggelen |
| waggelde | verleden tijd | waggelen |
| waggelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | waggelen |
| waggele | aanvoegende wijs | waggelen |
| waggelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | waggelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waggelen zijn vastgelegd.