wad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bij eb droogvallend buitendijks gebied
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wadden | meervoud |
| wadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wadjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Van Oudnederlands wada, Protogermaans *wada- (Latijn: vadum). Tevens verwant met waden. In de betekenis van ‘doorwaadbare plaats’ voor het eerst aangetroffen in 107, in de plaatsnaam Wadenoijen .
Woordfamilie van wad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wadden | meervoud | wad |
| wadje | verkleinwoord | wad |
| wadjes | verkleinwoord meervoud | wad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wad zijn vastgelegd.