vrijlaten
werkwoord ˈvrɛilatə(n)Betekenis
- toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
Hoe spreek je vrijlaten uit?
/ˈvrɛilatən/
Vrijlaten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- onbezet houden zodat je er gemakkelijk door kan transitive
Vervoeging van vrijlaten
vrijlatenhele werkwoord — liet vrijverleden tijd enkelvoud — lieten vrijverleden tijd meervoud — vrijgelatenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laat vrij | liet vrij |
| jij | laat vrij | liet vrij |
| hij, zij, het | laat vrij | liet vrij |
| wij | laten vrij | lieten vrij |
| jullie | laten vrij | lieten vrij |
| zij | laten vrij | lieten vrij |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vrijgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgelaten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgelaten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgelaten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgelaten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laat vrij | gebiedende wijs |
| liet vrij | verleden tijd |
| te hebben vrijgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te laten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal laten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou laten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden laten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt laten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen laten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult laten | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgelaten | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgelaten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgelaten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgelaten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgelaten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgelaten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgelaten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgelaten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgelaten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgelaten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgelaten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijlaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijlatend | onvoltooid, deelwoord |
| vrijliet | bijzin, verleden tijd |
| vrijlieten | bijzin, verleden tijd |
| waart vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vrijgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vrijgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijlaten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vrijgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijlaten vrij zou(dt) laten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijlaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijlaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vrijlaten | bijzin, toekomende tijd |
| zult vrijgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vrijgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van vrij en laten
Woordfamilie van vrijlaten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laat vrij | gebiedende wijs | vrijlaten |
| late vrij | woordvorm | vrijlaten |
| laten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijlaten |
| liet vrij | verleden tijd | vrijlaten |
| lieten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijlaten |
| vrijgelaten | voltooid deelwoord | vrijlaten |
| vrijlaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijlaten |
| vrijlate | with-subordinate-clause | vrijlaten |
| vrijlatend | onvoltooid deelwoord | vrijlaten |
| vrijlatende | woordvorm | vrijlaten |
| vrijliet | subordinate-clause, verleden tijd | vrijlaten |
| vrijlieten | subordinate-clause, verleden tijd | vrijlaten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijlaten zijn vastgelegd.