voorvertonen
werkwoordBetekenis
- voor het officiële begin alvast vertonen
Vervoeging van voorvertonen
voorvertonenhele werkwoord — vertoonde voorverleden tijd enkelvoud — vertoonden voorverleden tijd meervoud — voorvertoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertoon voor | vertoonde voor |
| jij | vertoont voor | vertoonde voor |
| hij, zij, het | vertoont voor | vertoonde voor |
| wij | vertonen voor | vertoonden voor |
| jullie | vertonen voor | vertoonden voor |
| zij | vertonen voor | vertoonden voor |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is voorvertoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorvertoond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorvertoond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorvertoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorvertoond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorvertoond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorvertoond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorvertoond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorvertoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorvertoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorvertoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorvertoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorvertoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorvertoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorvertoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorvertoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorvertoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorvertonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertoon voor | gebiedende wijs |
| vertoonde voor | verleden tijd |
| voor te vertonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen vertonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal vertonen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou vertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden vertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt vertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen vertonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen vertonen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult vertonen | bijzin, toekomende tijd |
| voorvertonend | onvoltooid, deelwoord |
| voorvertoon | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorvertoond | verleden tijd, deelwoord |
| voorvertoond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorvertoond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorvertoond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorvertoond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorvertoond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorvertoond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorvertoond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorvertoond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorvertoond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorvertoond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorvertoonde | bijzin, verleden tijd |
| voorvertoonden | bijzin, verleden tijd |
| voorvertoont | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waren voorvertoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorvertoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorvertoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden voorvertoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden voorvertoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorvertoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorvertonen | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorvertoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorvertoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorvertoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorvertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorvertoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorvertoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voorvertonen voor zou(dt) vertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorvertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorvertoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorvertoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorvertonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorvertoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorvertonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorvertonen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorvertoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorvertoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorvertonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorvertonen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorvertoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voorvertonen voor zult/zal vertonen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor bw en vertonen ww
Woordfamilie van voorvertonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertone voor | woordvorm | voorvertonen |
| vertonen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorvertonen |
| vertoon voor | gebiedende wijs | voorvertonen |
| vertoonde voor | verleden tijd | voorvertonen |
| vertoonden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorvertonen |
| vertoont voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorvertonen |
| voorvertone | with-subordinate-clause | voorvertonen |
| voorvertonend | onvoltooid deelwoord | voorvertonen |
| voorvertonende | woordvorm | voorvertonen |
| voorvertoon | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorvertonen |
| voorvertoond | voltooid deelwoord | voorvertonen |
| voorvertoonde | subordinate-clause, verleden tijd | voorvertonen |
| voorvertoonden | subordinate-clause, verleden tijd | voorvertonen |
| voorvertoont | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorvertonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorvertonen zijn vastgelegd.