voortplanten
werkwoord ˈvortplɑntə(n)Betekenis
- zich ~ een nieuwe generatie voorbrengen
- zich ~ (van een golf) door een medium voortbewegen
Hoe spreek je voortplanten uit?
/ˈvortplɑntən/
Voortplanten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| t | tak |
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voortplanten
voortplantenhele werkwoord — plantte voortverleden tijd enkelvoud — plantten voortverleden tijd meervoud — voortgeplantvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plant voort | plantte voort |
| jij | plant voort | plantte voort |
| hij, zij, het | plant voort | plantte voort |
| wij | planten voort | plantten voort |
| jullie | planten voort | plantten voort |
| zij | planten voort | plantten voort |
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voortgeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voortgeplant | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voortgeplant | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voortgeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voortgeplant worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voortgeplant zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voortgeplant worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voortgeplant zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voortgeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voortgeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voortgeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voortgeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voortgeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plant u/je voort, plant je voort | gebiedende wijs |
| plant voort | gebiedende wijs |
| plantte voort | verleden tijd |
| te hebben voortgeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voortplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort te planten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voort te zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort zal planten | bijzin, toekomende tijd |
| voort zou planten | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zouden planten | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zoudt planten | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voort zullen planten | bijzin, toekomende tijd |
| voort zult planten | bijzin, toekomende tijd |
| voortgeplant | verleden tijd, deelwoord |
| voortgeplant te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voortgeplant te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voortgeplant te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeplant te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeplant te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeplant worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voortgeplant zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voortgeplant zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortgeplant zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortgeplant zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortplant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortplantend | onvoltooid, deelwoord |
| voortplantte | bijzin, verleden tijd |
| voortplantten | bijzin, verleden tijd |
| waart voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voortgeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voortgeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voortgeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voortgeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me voortplanten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voortgeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voortplanten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich voortplanten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je voortplanten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich voortgeplant hebben | verleden tijd |
| zich voortplantend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voortgeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voortplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voortplanten voort zou(dt) planten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voortplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voortgeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortgeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voortplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je voortplanten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons voortplanten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voortgeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortgeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voort en planten
Woordfamilie van voortplanten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plant voort | gebiedende wijs | voortplanten |
| plante voort | woordvorm | voortplanten |
| planten voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voortplanten |
| plantte voort | verleden tijd | voortplanten |
| plantten voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voortplanten |
| voortgeplant | voltooid deelwoord | voortplanten |
| voortgeplante | woordvorm | voortplanten |
| voortplant | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortplanten |
| voortplante | with-subordinate-clause | voortplanten |
| voortplantend | onvoltooid deelwoord | voortplanten |
| voortplantende | woordvorm | voortplanten |
| voortplantte | subordinate-clause, verleden tijd | voortplanten |
| voortplantten | subordinate-clause, verleden tijd | voortplanten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voortplanten zijn vastgelegd.