voorthelpen
werkwoordBetekenis
- vooruithelpen
Vervoeging van voorthelpen
voorthelpenhele werkwoord — hielp voortverleden tijd enkelvoud — hielpen voortverleden tijd meervoud — voortgeholpenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | help voort | hielp voort |
| jij | helpt voort | hielp voort |
| hij, zij, het | helpt voort | hielp voort |
| wij | helpen voort | hielpen voort |
| jullie | helpen voort | hielpen voort |
| zij | helpen voort | hielpen voort |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voortgeholpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voortgeholpen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voortgeholpen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voortgeholpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voortgeholpen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voortgeholpen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voortgeholpen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voortgeholpen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voortgeholpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| help voort | gebiedende wijs |
| hielp voort | verleden tijd |
| is voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voortgeholpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorthelpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort te helpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voort te zullen helpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort zal helpen | bijzin, toekomende tijd |
| voort zou helpen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zouden helpen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zoudt helpen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zullen helpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voort zullen helpen | bijzin, toekomende tijd |
| voort zult helpen | bijzin, toekomende tijd |
| voortgeholpen | verleden tijd, deelwoord |
| voortgeholpen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voortgeholpen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voortgeholpen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeholpen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeholpen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgeholpen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voortgeholpen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voortgeholpen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortgeholpen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortgeholpen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorthelp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorthelpend | onvoltooid, deelwoord |
| voorthelpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorthielp | bijzin, verleden tijd |
| voorthielpen | bijzin, verleden tijd |
| waart voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voortgeholpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voortgeholpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voortgeholpen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgeholpen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorthelpen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voortgeholpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorthelpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorthelpen voort zou(dt) helpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorthelpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voortgeholpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortgeholpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorthelpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voortgeholpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortgeholpen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgeholpen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgeholpen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorthelpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorthelpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorthelpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voortgeholpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voort en helpen
Woordfamilie van voorthelpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| help voort | gebiedende wijs | voorthelpen |
| helpe voort | woordvorm | voorthelpen |
| helpen voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorthelpen |
| helpt voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorthelpen |
| hielp voort | verleden tijd | voorthelpen |
| hielpen voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorthelpen |
| voortgeholpen | voltooid deelwoord | voorthelpen |
| voorthelp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorthelpen |
| voorthelpe | with-subordinate-clause | voorthelpen |
| voorthelpend | onvoltooid deelwoord | voorthelpen |
| voorthelpende | woordvorm | voorthelpen |
| voorthelpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorthelpen |
| voorthielp | subordinate-clause, verleden tijd | voorthelpen |
| voorthielpen | subordinate-clause, verleden tijd | voorthelpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorthelpen zijn vastgelegd.