voortgaan
werkwoord ˈvortxanBetekenis
- doorgaan continueren, niet ophouden
- ~ met een bepaalde handeling voortzetten
Hoe spreek je voortgaan uit?
/ˈvortxan/
Voortgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| t | tak |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voortgaan
voortgaanhele werkwoord — ging voortverleden tijd enkelvoud — gingen voortverleden tijd meervoud — voortgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga voort | ging voort |
| jij | gaat voort | ging voort |
| hij, zij, het | gaat voort | ging voort |
| wij | gaan voort | gingen voort |
| jullie | gaan voort | gingen voort |
| zij | gaan voort | gingen voort |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga voort | gebiedende wijs |
| ging voort | verleden tijd |
| is voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voortgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voortgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voort te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voort zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voort zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voort zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voortga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortgaand | onvoltooid, deelwoord |
| voortgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| voortgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortging | bijzin, verleden tijd |
| voortgingen | bijzin, verleden tijd |
| waart voortgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voortgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voortgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voortgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voortgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voortgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voortgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voortgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voortgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voortgaan voort zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voortgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voortgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voortgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voortgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voortgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voortgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voortgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult voortgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voortgaan voort zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voort en gaan
Woordfamilie van voortgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga voort | gebiedende wijs | voortgaan |
| gaan voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voortgaan |
| gaat voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voortgaan |
| ging voort | verleden tijd | voortgaan |
| gingen voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voortgaan |
| voortga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortgaan |
| voortgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortgaan |
| voortgegaan | voltooid deelwoord | voortgaan |
| voortging | subordinate-clause, verleden tijd | voortgaan |
| voortgingen | subordinate-clause, verleden tijd | voortgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voortgaan zijn vastgelegd.