Naar de inhoud

voorstemmen

bij een verkiezing zijn stem voor iets of iemand uitbrengen

voorstemmen

werkwoord

Betekenis

  1. bij een verkiezing zijn stem voor iets of iemand uitbrengen

Vervoeging van voorstemmen

voorstemmenhele werkwoord — stemde voorverleden tijd enkelvoud — stemden voorverleden tijd meervoud — voorgestemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stem voor stemde voor
jij stemt voor stemde voor
hij, zij, het stemt voor stemde voor
wij stemmen voor stemden voor
jullie stemmen voor stemden voor
zij stemmen voor stemden voor
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgestemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stem voor gebiedende wijs
stemde voor verleden tijd
te hebben voorgestemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorstemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te stemmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen stemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal stemmen bijzin, toekomende tijd
voor zou stemmen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden stemmen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt stemmen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen stemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen stemmen bijzin, toekomende tijd
voor zult stemmen bijzin, toekomende tijd
voorgestemd verleden tijd, deelwoord
voorgestemd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgestemd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorstem bijzin, tegenwoordige tijd
voorstemde bijzin, verleden tijd
voorstemden bijzin, verleden tijd
voorstemmend onvoltooid, deelwoord
voorstemt bijzin, tegenwoordige tijd
zal voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorstemmen bijzin, toekomende tijd
zou voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorstemmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorstemmen voor zou(dt) stemmen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorstemmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorstemmen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorstemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorstemmen bijzin, toekomende tijd
zult voorgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorstemmen bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorstemmen voor zult/zal stemmen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en stemmen

Woordfamilie van voorstemmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stem voor gebiedende wijs voorstemmen
stemde voor verleden tijd voorstemmen
stemden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorstemmen
stemme voor woordvorm voorstemmen
stemmen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorstemmen
stemt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorstemmen
voorgestemd voltooid deelwoord voorstemmen
voorstem subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorstemmen
voorstemde subordinate-clause, verleden tijd voorstemmen
voorstemden subordinate-clause, verleden tijd voorstemmen
voorstemme with-subordinate-clause voorstemmen
voorstemmend onvoltooid deelwoord voorstemmen
voorstemmende woordvorm voorstemmen
voorstemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorstemmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorstemmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorstemmen

Wat betekent voorstemmen?
Voorstemmen is een werkwoord. Het woord betekent: bij een verkiezing zijn stem voor iets of iemand uitbrengen.
Hoe vervoeg je voorstemmen?
Je vervoegt voorstemmen als volgt: het voltooid deelwoord is voorgestemd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorstemmen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. M 3
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorstemmen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. M 3
  9. M 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorstemmen in het kort

voorstemmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorstemmen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorstemmen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorstemmen: bij een verkiezing zijn stem voor iets of iemand uitbrengen
Deel voorstemmen — standaardnederlands.nl