voorsteken
werkwoordBetekenis
- (België) voordringen
werkwoord
- voordringen intransitive
Vervoeging van voorsteken
voorstekenhele werkwoord — stak voorverleden tijd enkelvoud — staken voorverleden tijd meervoud — voorgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek voor | stak voor |
| jij | steekt voor | staakt voor |
| hij, zij, het | steekt voor | stak voor |
| wij | steken voor | staken voor |
| jullie | steken voor | staken voor |
| zij | steken voor | staken voor |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak voor | verleden tijd |
| steek voor | gebiedende wijs |
| te zijn voorgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| voorgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| voorgestoken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgestoken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorstaakt | bijzin, verleden tijd |
| voorstak | bijzin, verleden tijd |
| voorstaken | bijzin, verleden tijd |
| voorsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorstekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorsteken voor zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorsteken voor zult/zal steken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en steken
Woordfamilie van voorsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stak voor | verleden tijd | voorsteken |
| staken voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorsteken |
| steek voor | gebiedende wijs | voorsteken |
| steekt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorsteken |
| steke voor | woordvorm | voorsteken |
| steken voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorsteken |
| voorgestoken | voltooid deelwoord | voorsteken |
| voorstak | subordinate-clause, verleden tijd | voorsteken |
| voorstaken | subordinate-clause, verleden tijd | voorsteken |
| voorsteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorsteken |
| voorsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorsteken |
| voorsteke | with-subordinate-clause | voorsteken |
| voorstekend | onvoltooid deelwoord | voorsteken |
| voorstekende | woordvorm | voorsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorsteken zijn vastgelegd.