Naar de inhoud

voorsteken

(België) voordringen

voorsteken

werkwoord

Betekenis

  1. (België) voordringen

werkwoord

  1. voordringen intransitive

Vervoeging van voorsteken

voorstekenhele werkwoord — stak voorverleden tijd enkelvoud — staken voorverleden tijd meervoud — voorgestokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steek voor stak voor
jij steekt voor staakt voor
hij, zij, het steekt voor stak voor
wij steken voor staken voor
jullie steken voor staken voor
zij steken voor staken voor
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stak voor verleden tijd
steek voor gebiedende wijs
te zijn voorgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te steken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal steken bijzin, toekomende tijd
voor zou steken bijzin, voorwaardelijk
voor zouden steken bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt steken bijzin, voorwaardelijk
voor zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen steken bijzin, toekomende tijd
voor zult steken bijzin, toekomende tijd
voorgestoken verleden tijd, deelwoord
voorgestoken te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgestoken zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorstaakt bijzin, verleden tijd
voorstak bijzin, verleden tijd
voorstaken bijzin, verleden tijd
voorsteek bijzin, tegenwoordige tijd
voorsteekt bijzin, tegenwoordige tijd
voorstekend onvoltooid, deelwoord
waart voorgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorsteken bijzin, toekomende tijd
zijn voorgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorsteken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorsteken voor zou(dt) steken bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorsteken bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorsteken bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorsteken bijzin, toekomende tijd
zult voorgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorsteken bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorsteken voor zult/zal steken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en steken

Woordfamilie van voorsteken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stak voor verleden tijd voorsteken
staken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorsteken
steek voor gebiedende wijs voorsteken
steekt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorsteken
steke voor woordvorm voorsteken
steken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorsteken
voorgestoken voltooid deelwoord voorsteken
voorstak subordinate-clause, verleden tijd voorsteken
voorstaken subordinate-clause, verleden tijd voorsteken
voorsteek subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorsteken
voorsteekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorsteken
voorsteke with-subordinate-clause voorsteken
voorstekend onvoltooid deelwoord voorsteken
voorstekende woordvorm voorsteken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorsteken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorsteken

Wat betekent voorsteken?
Voorsteken is een werkwoord. Het woord betekent: (België) voordringen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorsteken?
Je vervoegt voorsteken als volgt: het voltooid deelwoord is voorgestoken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorsteken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorsteken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorsteken in het kort

voorsteken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorsteken zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorsteken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorsteken: (België) voordringen
Deel voorsteken — standaardnederlands.nl