Naar de inhoud

voorspreken

een goed woordje doen voor iemand

voorspreken

werkwoord

Betekenis

  1. een goed woordje doen voor iemand

Vervoeging van voorspreken

voorsprekenhele werkwoord — sprak voorverleden tijd enkelvoud — spraken voorverleden tijd meervoud — voorgesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spreek voor sprak voor
jij spreekt voor spraakt voor
hij, zij, het spreekt voor sprak voor
wij spreken voor spraken voor
jullie spreken voor spraken voor
zij spreken voor spraken voor
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprak voor verleden tijd
spreek voor gebiedende wijs
te hebben voorgesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te spreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal spreken bijzin, toekomende tijd
voor zou spreken bijzin, voorwaardelijk
voor zouden spreken bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt spreken bijzin, voorwaardelijk
voor zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen spreken bijzin, toekomende tijd
voor zult spreken bijzin, toekomende tijd
voorgesproken verleden tijd, deelwoord
voorgesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorspraakt bijzin, verleden tijd
voorsprak bijzin, verleden tijd
voorspraken bijzin, verleden tijd
voorspreek bijzin, tegenwoordige tijd
voorspreekt bijzin, tegenwoordige tijd
voorsprekend onvoltooid, deelwoord
zal voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorspreken bijzin, toekomende tijd
zou voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorspreken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorspreken voor zou(dt) spreken bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorspreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorspreken bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorspreken bijzin, toekomende tijd
zult voorgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorspreken bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorspreken voor zult/zal spreken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en spreken

Woordfamilie van voorspreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spraakt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon voorspreken
sprak voor verleden tijd voorspreken
spraken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorspreken
spreek voor gebiedende wijs voorspreken
spreekt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorspreken
spreke voor woordvorm voorspreken
spreken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorspreken
voorgesproken voltooid deelwoord voorspreken
voorsprak subordinate-clause, verleden tijd voorspreken
voorspreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorspreken
voorspreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorspreken
voorspreke with-subordinate-clause voorspreken
voorsprekend onvoltooid deelwoord voorspreken
voorsprekende woordvorm voorspreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorspreken

Wat is de betekenis van voorspreken?
Voorspreken is een werkwoord. De betekenis is: een goed woordje doen voor iemand.
Hoe vervoeg ik voorspreken?
Zo vervoeg je voorspreken zo: het voltooid deelwoord is voorgesproken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorspreken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. R 2
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorspreken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. R 2
  8. E 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorspreken in het kort

voorspreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorspreken staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorspreken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorspreken: een goed woordje doen voor iemand
Deel voorspreken — standaardnederlands.nl