voorsnijden
werkwoordBetekenis
- snijden voor het opdienen
Vervoeging van voorsnijden
voorsnijdenhele werkwoord — sneed voorverleden tijd enkelvoud — sneden voorverleden tijd meervoud — voorgesnedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snij voor | sneed voor |
| jij | snijdt voor | sneed voor |
| hij, zij, het | snijdt voor | sneed voor |
| wij | snijden voor | sneden voor |
| jullie | snijden voor | sneden voor |
| zij | snijden voor | sneden voor |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is voorgesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgesneden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgesneden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgesneden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgesneden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgesneden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgesneden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sneed voor | verleden tijd |
| snij voor | gebiedende wijs |
| snijd voor | gebiedende wijs |
| te hebben voorgesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorsnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te snijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal snijden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen snijden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult snijden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgesneden | verleden tijd, deelwoord |
| voorgesneden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgesneden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorsneden | bijzin, verleden tijd |
| voorsneed | bijzin, verleden tijd |
| voorsnij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorsnijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorsnijdend | onvoltooid, deelwoord |
| voorsnijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorsnijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorsnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorsnijden voor zou(dt) snijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorsnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorsnijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorsnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorsnijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorsnijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorsnijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorsnijden voor zult/zal snijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en snijden
Woordfamilie van voorsnijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sneden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorsnijden |
| sneed voor | verleden tijd | voorsnijden |
| snij voor | gebiedende wijs | voorsnijden |
| snijd voor | gebiedende wijs | voorsnijden |
| snijde voor | woordvorm | voorsnijden |
| snijden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorsnijden |
| snijdt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorsnijden |
| voorgesneden | voltooid deelwoord | voorsnijden |
| voorsneden | subordinate-clause, verleden tijd | voorsnijden |
| voorsneed | subordinate-clause, verleden tijd | voorsnijden |
| voorsnij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorsnijden |
| voorsnijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorsnijden |
| voorsnijde | with-subordinate-clause | voorsnijden |
| voorsnijdend | onvoltooid deelwoord | voorsnijden |
| voorsnijdende | woordvorm | voorsnijden |
| voorsnijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorsnijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorsnijden zijn vastgelegd.