voorschotelen
werkwoordBetekenis
- een gerecht voorzetten
Vervoeging van voorschotelen
voorschotelenhele werkwoord — schotelde voorverleden tijd enkelvoud — schotelden voorverleden tijd meervoud — voorgeschoteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schotel voor | schotelde voor |
| jij | schotelt voor | schotelde voor |
| hij, zij, het | schotelt voor | schotelde voor |
| wij | schotelen voor | schotelden voor |
| jullie | schotelen voor | schotelden voor |
| zij | schotelen voor | schotelden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgeschoteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgeschoteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgeschoteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgeschoteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgeschoteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgeschoteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgeschoteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgeschoteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgeschoteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schotel voor | gebiedende wijs |
| schotelde voor | verleden tijd |
| te hebben voorgeschoteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorschotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te schotelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen schotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal schotelen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou schotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden schotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt schotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen schotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen schotelen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult schotelen | bijzin, toekomende tijd |
| voorgeschoteld | verleden tijd, deelwoord |
| voorgeschoteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgeschoteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgeschoteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgeschoteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgeschoteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgeschoteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgeschoteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgeschoteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgeschoteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgeschoteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorschotel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorschotelde | bijzin, verleden tijd |
| voorschotelden | bijzin, verleden tijd |
| voorschotelend | onvoltooid, deelwoord |
| voorschotelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgeschoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgeschoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgeschoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgeschoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorschotelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgeschoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorschotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorschotelen voor zou(dt) schotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorschotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgeschoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgeschoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorschotelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgeschoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgeschoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgeschoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgeschoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorschotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorschotelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorschotelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgeschoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor en schotelen
Woordfamilie van voorschotelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schotel voor | gebiedende wijs | voorschotelen |
| schotelde voor | verleden tijd | voorschotelen |
| schotelden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorschotelen |
| schotele voor | woordvorm | voorschotelen |
| schotelen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorschotelen |
| schotelt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorschotelen |
| voorgeschoteld | voltooid deelwoord | voorschotelen |
| voorgeschotelde | woordvorm | voorschotelen |
| voorschotel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorschotelen |
| voorschotelde | subordinate-clause, verleden tijd | voorschotelen |
| voorschotelden | subordinate-clause, verleden tijd | voorschotelen |
| voorschotele | with-subordinate-clause | voorschotelen |
| voorschotelend | onvoltooid deelwoord | voorschotelen |
| voorschotelende | woordvorm | voorschotelen |
| voorschotelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorschotelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorschotelen zijn vastgelegd.