Naar de inhoud

voorpubliceren

alvast iets publiceren (voorafgaand aan de eigenlijke uitgave)

voorpubliceren

werkwoord

Betekenis

  1. alvast iets publiceren (voorafgaand aan de eigenlijke uitgave)

Vervoeging van voorpubliceren

voorpublicerenhele werkwoord — publiceerde voorverleden tijd enkelvoud — publiceerden voorverleden tijd meervoud — voorgepubliceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik publiceer voor publiceerde voor
jij publiceert voor publiceerde voor
hij, zij, het publiceert voor publiceerde voor
wij publiceren voor publiceerden voor
jullie publiceren voor publiceerden voor
zij publiceren voor publiceerden voor
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgepubliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgepubliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgepubliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
publiceer voor gebiedende wijs
publiceerde voor verleden tijd
te hebben voorgepubliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorpubliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te publiceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen publiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal publiceren bijzin, toekomende tijd
voor zou publiceren bijzin, voorwaardelijk
voor zouden publiceren bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt publiceren bijzin, voorwaardelijk
voor zullen publiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen publiceren bijzin, toekomende tijd
voor zult publiceren bijzin, toekomende tijd
voorgepubliceerd verleden tijd, deelwoord
voorgepubliceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgepubliceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorpubliceer bijzin, tegenwoordige tijd
voorpubliceerde bijzin, verleden tijd
voorpubliceerden bijzin, verleden tijd
voorpubliceert bijzin, tegenwoordige tijd
voorpublicerend onvoltooid, deelwoord
zal voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorpubliceren bijzin, toekomende tijd
zou voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorpubliceren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorpubliceren voor zou(dt) publiceren bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorpubliceren bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgepubliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorpubliceren bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorpubliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorpubliceren bijzin, toekomende tijd
zult voorgepubliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorpubliceren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorpubliceren bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorpubliceren voor zult/zal publiceren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en publiceren

Woordfamilie van voorpubliceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
publiceer voor gebiedende wijs voorpubliceren
publiceerde voor verleden tijd voorpubliceren
publiceerden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorpubliceren
publiceert voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorpubliceren
publicere voor woordvorm voorpubliceren
publiceren voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorpubliceren
voorgepubliceerd voltooid deelwoord voorpubliceren
voorpubliceer subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorpubliceren
voorpubliceerde subordinate-clause, verleden tijd voorpubliceren
voorpubliceerden subordinate-clause, verleden tijd voorpubliceren
voorpubliceert subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorpubliceren
voorpublicere with-subordinate-clause voorpubliceren
voorpublicerend onvoltooid deelwoord voorpubliceren
voorpublicerende woordvorm voorpubliceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorpubliceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over voorpubliceren

Wat is de betekenis van voorpubliceren?
Voorpubliceren is een werkwoord. De betekenis is: alvast iets publiceren (voorafgaand aan de eigenlijke uitgave).
Hoe vervoeg ik voorpubliceren?
Zo vervoeg je voorpubliceren zo: het voltooid deelwoord is voorgepubliceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorpubliceren is 32 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. P 3
  6. U 4
  7. B 3
  8. L 3
  9. I 1
  10. C 5
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 32 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorpubliceren levert met Wordfeud minimaal 33 en maximaal 129 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. P 4
  6. U 2
  7. B 4
  8. L 3
  9. I 2
  10. C 5
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 33 zonder bonus
  16. 129 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorpubliceren in het kort

voorpubliceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorpubliceren staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorpubliceren bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorpubliceren: alvast iets publiceren (voorafgaand aan de eigenlijke uitgave)
Deel voorpubliceren — standaardnederlands.nl