Naar de inhoud

voorlopen

voorop lopen

voorlopen is meer dan één woord

voorlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /fo:lopə/

Betekenis

  1. voorop lopen
  2. te snel lopen (van een uurwerk)

Hoe spreek je voorlopen uit?

/folopə/

Voorlopen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /folopə/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
o boot
l land
p pak
ə de

Vervoeging van voorlopen

voorlopenhele werkwoord — liep voorverleden tijd enkelvoud — liepen voorverleden tijd meervoud — voorgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop voor liep voor
jij loopt voor liep voor
hij, zij, het loopt voor liep voor
wij lopen voor liepen voor
jullie lopen voor liepen voor
zij lopen voor liepen voor
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep voor verleden tijd
loop voor gebiedende wijs
te hebben voorgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal lopen bijzin, toekomende tijd
voor zou lopen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen lopen bijzin, toekomende tijd
voor zult lopen bijzin, toekomende tijd
voorgelopen verleden tijd, deelwoord
voorgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorliep bijzin, verleden tijd
voorliepen bijzin, verleden tijd
voorliept bijzin, verleden tijd
voorloop bijzin, tegenwoordige tijd
voorloopt bijzin, tegenwoordige tijd
voorlopend onvoltooid, deelwoord
zal voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorlopen bijzin, toekomende tijd
zou voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorlopen voor zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorlopen bijzin, toekomende tijd
zult voorgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorlopen voor zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord voorloop

Herkomst

samenstelling van voor en lopen

Woordfamilie van voorlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep voor verleden tijd voorlopen
liepen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorlopen
loop voor gebiedende wijs voorlopen
loopt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorlopen
lope voor woordvorm voorlopen
lopen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorlopen
voorgelopen voltooid deelwoord voorlopen
voorliep subordinate-clause, verleden tijd voorlopen
voorliepen subordinate-clause, verleden tijd voorlopen
voorloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorlopen
voorlope with-subordinate-clause voorlopen
voorlopend onvoltooid deelwoord voorlopen
voorlopende woordvorm voorlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorlopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over voorlopen

Hoe spreek ik voorlopen uit?
Zo spreek je voorlopen uit: /fo:lopə/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van voorlopen?
Voorlopen is een werkwoord. De betekenis is: voorop lopen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik voorlopen?
Zo vervoeg je voorlopen zo: het voltooid deelwoord is voorgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorlopen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorlopen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorlopen in het kort

voorlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van voorlopen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorlopen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorlopen: voorop lopen
Deel voorlopen — standaardnederlands.nl