voorhouden
werkwoordBetekenis
- iemand vertellen hoe jij denkt dat de wereld in elkaar zit
- iemand ergens mee confronteren
Vervoeging van voorhouden
voorhoudenhele werkwoord — hield voorverleden tijd enkelvoud — hielden voorverleden tijd meervoud — voorgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou voor | hield voor |
| jij | houdt voor | hield voor |
| hij, zij, het | houdt voor | hield voor |
| wij | houden voor | hielden voor |
| jullie | houden voor | hielden voor |
| zij | houden voor | hielden voor |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield voor | verleden tijd |
| hou voor | gebiedende wijs |
| houd voor | gebiedende wijs |
| is voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| voorgehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorhield | bijzin, verleden tijd |
| voorhielden | bijzin, verleden tijd |
| voorhou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorhoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| voorhoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorhouden voor zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van voor en houden
Woordfamilie van voorhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield voor | verleden tijd | voorhouden |
| hielden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorhouden |
| hou voor | gebiedende wijs | voorhouden |
| houd voor | gebiedende wijs | voorhouden |
| houde voor | woordvorm | voorhouden |
| houden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorhouden |
| houdt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorhouden |
| voorgehouden | voltooid deelwoord | voorhouden |
| voorhield | subordinate-clause, verleden tijd | voorhouden |
| voorhielden | subordinate-clause, verleden tijd | voorhouden |
| voorhou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorhouden |
| voorhoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorhouden |
| voorhoude | with-subordinate-clause | voorhouden |
| voorhoudend | onvoltooid deelwoord | voorhouden |
| voorhoudende | woordvorm | voorhouden |
| voorhoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorhouden zijn vastgelegd.