Naar de inhoud

voorbinden

aan de voorzijde van iets vastbinden

voorbinden

werkwoord

Betekenis

  1. aan de voorzijde van iets vastbinden

Vervoeging van voorbinden

voorbindenhele werkwoord — bond voorverleden tijd enkelvoud — bonden voorverleden tijd meervoud — voorgebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind voor bond voor
jij bindt voor bond voor
hij, zij, het bindt voor bond voor
wij binden voor bonden voor
jullie binden voor bonden voor
zij binden voor bonden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bind voor gebiedende wijs
bond voor verleden tijd
er is voorgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgebonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgebonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgebonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgebonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgebonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgebonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal binden bijzin, toekomende tijd
voor zou binden bijzin, voorwaardelijk
voor zouden binden bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
voor zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen binden bijzin, toekomende tijd
voor zult binden bijzin, toekomende tijd
voorbind bijzin, tegenwoordige tijd
voorbindend onvoltooid, deelwoord
voorbindt bijzin, tegenwoordige tijd
voorbond bijzin, verleden tijd
voorbonden bijzin, verleden tijd
voorgebonden verleden tijd, deelwoord
voorgebonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgebonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgebonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgebonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgebonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgebonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgebonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgebonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorbinden bijzin, toekomende tijd
zal voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorbinden bijzin, voorwaardelijk
zou voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) voorbinden voor zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen voorbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorbinden bijzin, toekomende tijd
zullen voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult voorbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van voor bw en binden ww

Woordfamilie van voorbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bind voor gebiedende wijs voorbinden
binde voor woordvorm voorbinden
binden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorbinden
bindt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorbinden
bond voor verleden tijd voorbinden
bonden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorbinden
voorbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbinden
voorbinde with-subordinate-clause voorbinden
voorbindend onvoltooid deelwoord voorbinden
voorbindende woordvorm voorbinden
voorbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbinden
voorbond subordinate-clause, verleden tijd voorbinden
voorbonden subordinate-clause, verleden tijd voorbinden
voorgebonden voltooid deelwoord voorbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbinden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over voorbinden

Wat is de betekenis van voorbinden?
Voorbinden is een werkwoord. De betekenis is: aan de voorzijde van iets vastbinden.
Hoe vervoeg ik voorbinden?
Zo vervoeg je voorbinden zo: het voltooid deelwoord is voorgebonden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorbinden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorbinden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorbinden in het kort

voorbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorbinden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorbinden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorbinden: aan de voorzijde van iets vastbinden
Deel voorbinden — standaardnederlands.nl