vomeren
werkwoordBetekenis
- braken, kotsen, overgeven, spugen
Vervoeging van vomeren
vomerenhele werkwoord — vomeerdeverleden tijd enkelvoud — vomeerdenverleden tijd meervoud — gevomeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vomeer | vomeerde |
| jij | vomeert | vomeerde |
| hij, zij, het | vomeert | vomeerde |
| wij | vomeren | vomeerden |
| jullie | vomeren | vomeerden |
| zij | vomeren | vomeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevomeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevomeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevomeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevomeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevomeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevomeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevomeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevomeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevomeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevomeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevomeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevomeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevomeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vomeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vomeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vomeer | gebiedende wijs |
| vomeerde | verleden tijd |
| vomere | aanvoegende wijs |
| vomerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevomeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vomeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevomeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vomeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘braken’ voor het eerst aangetroffen in 1654
Woordfamilie van vomeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevomeerd | voltooid deelwoord | vomeren |
| vomeer | gebiedende wijs | vomeren |
| vomeerde | verleden tijd | vomeren |
| vomeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vomeren |
| vomeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vomeren |
| vomere | aanvoegende wijs | vomeren |
| vomerend | onvoltooid deelwoord | vomeren |
| vomerende | woordvorm | vomeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vomeren zijn vastgelegd.