Naar de inhoud

volschieten

in flink tempo vollopen

volschieten

werkwoord

Betekenis

  1. in flink tempo vollopen
  2. de laatste opnamen van een filmrol maken

Vervoeging van volschieten

volschietenhele werkwoord — schoot volverleden tijd enkelvoud — schoten volverleden tijd meervoud — volgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet vol schoot vol
jij schiet vol schoot vol
hij, zij, het schiet vol schoot vol
wij schieten vol schoten vol
jullie schieten vol schoten vol
zij schieten vol schoten vol
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had volgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had volgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had volgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden volgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden volgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden volgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt volgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft volgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet vol gebiedende wijs
schoot vol verleden tijd
te hebben volgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen volschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal schieten bijzin, toekomende tijd
vol zou schieten bijzin, voorwaardelijk
vol zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
vol zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen schieten bijzin, toekomende tijd
vol zult schieten bijzin, toekomende tijd
volgeschoten verleden tijd, deelwoord
volgeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volschiet bijzin, tegenwoordige tijd
volschietend onvoltooid, deelwoord
volschoot bijzin, verleden tijd
volschoten bijzin, verleden tijd
zal volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal volschieten bijzin, toekomende tijd
zou volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou volschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) volschieten vol zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden volschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt volgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt volschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen volschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen volschieten bijzin, toekomende tijd
zult volgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult volschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult volschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal volschieten vol zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vol en schieten

Woordfamilie van volschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schiet vol gebiedende wijs volschieten
schiete vol woordvorm volschieten
schieten vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon volschieten
schoot vol verleden tijd volschieten
schoten vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon volschieten
volgeschoten voltooid deelwoord volschieten
volschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd volschieten
volschiete with-subordinate-clause volschieten
volschietend onvoltooid deelwoord volschieten
volschietende woordvorm volschieten
volschoot subordinate-clause, verleden tijd volschieten
volschoten subordinate-clause, verleden tijd volschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over volschieten

Wat betekent volschieten?
Volschieten is een werkwoord. Het woord betekent: in flink tempo vollopen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je volschieten?
Je vervoegt volschieten als volgt: het voltooid deelwoord is volgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord volschieten is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

volschieten levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

volschieten in het kort

volschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van volschieten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort volschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

volschieten: in flink tempo vollopen
Deel volschieten — standaardnederlands.nl