volschieten
werkwoordBetekenis
- in flink tempo vollopen
- de laatste opnamen van een filmrol maken
Vervoeging van volschieten
volschietenhele werkwoord — schoot volverleden tijd enkelvoud — schoten volverleden tijd meervoud — volgeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet vol | schoot vol |
| jij | schiet vol | schoot vol |
| hij, zij, het | schiet vol | schoot vol |
| wij | schieten vol | schoten vol |
| jullie | schieten vol | schoten vol |
| zij | schieten vol | schoten vol |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had volgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had volgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had volgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden volgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden volgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden volgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt volgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben volgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft volgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet vol | gebiedende wijs |
| schoot vol | verleden tijd |
| te hebben volgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen volschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vol te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vol te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vol zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| vol zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| vol zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| vol zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| vol zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vol zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| vol zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| volgeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| volgeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| volgeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| volschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| volschietend | onvoltooid, deelwoord |
| volschoot | bijzin, verleden tijd |
| volschoten | bijzin, verleden tijd |
| zal volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal volschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou volschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) volschieten vol zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden volschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt volgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt volschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen volschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen volschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult volgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult volschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult volschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal volschieten vol zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vol en schieten
Woordfamilie van volschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schiet vol | gebiedende wijs | volschieten |
| schiete vol | woordvorm | volschieten |
| schieten vol | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | volschieten |
| schoot vol | verleden tijd | volschieten |
| schoten vol | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | volschieten |
| volgeschoten | voltooid deelwoord | volschieten |
| volschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | volschieten |
| volschiete | with-subordinate-clause | volschieten |
| volschietend | onvoltooid deelwoord | volschieten |
| volschietende | woordvorm | volschieten |
| volschoot | subordinate-clause, verleden tijd | volschieten |
| volschoten | subordinate-clause, verleden tijd | volschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volschieten zijn vastgelegd.