Naar de inhoud

vollopen

opgevuld raken met een vloeistof of een massa

vollopen

werkwoord

Betekenis

  1. opgevuld raken met een vloeistof of een massa
  2. tweede betekenisomschrijving.
  3. enz.

Vervoeging van vollopen

vollopenhele werkwoord — liep volverleden tijd enkelvoud — liepen volverleden tijd meervoud — volgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop vol liep vol
jij loopt vol liep vol
hij, zij, het loopt vol liep vol
wij lopen vol liepen vol
jullie lopen vol liepen vol
zij lopen vol liepen vol
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep vol verleden tijd
loop vol gebiedende wijs
te zijn volgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vollopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vol te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vol zal lopen bijzin, toekomende tijd
vol zou lopen bijzin, voorwaardelijk
vol zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
vol zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
vol zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vol zullen lopen bijzin, toekomende tijd
vol zult lopen bijzin, toekomende tijd
volgelopen verleden tijd, deelwoord
volgelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
volgelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
volliep bijzin, verleden tijd
volliepen bijzin, verleden tijd
volliept bijzin, verleden tijd
volloop bijzin, tegenwoordige tijd
volloopt bijzin, tegenwoordige tijd
vollopend onvoltooid, deelwoord
waart volgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren volgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren volgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren volgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was volgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was volgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was volgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vollopen bijzin, toekomende tijd
zijn volgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt volgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vollopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vollopen vol zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vollopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt volgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vollopen bijzin, voorwaardelijk
zullen volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vollopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vollopen bijzin, toekomende tijd
zult volgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vollopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vollopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vollopen vol zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vol en lopen

Woordfamilie van vollopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep vol verleden tijd vollopen
liepen vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vollopen
loop vol gebiedende wijs vollopen
loopt vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vollopen
lope vol woordvorm vollopen
lopen vol aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vollopen
volgelopen voltooid deelwoord vollopen
volliep subordinate-clause, verleden tijd vollopen
volliepen subordinate-clause, verleden tijd vollopen
volloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd vollopen
volloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vollopen
vollope with-subordinate-clause vollopen
vollopend onvoltooid deelwoord vollopen
vollopende woordvorm vollopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vollopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vollopen

Wat is de betekenis van vollopen?
Vollopen is een werkwoord. De betekenis is: opgevuld raken met een vloeistof of een massa. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vollopen?
Zo vervoeg je vollopen zo: het voltooid deelwoord is volgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vollopen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vollopen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vollopen in het kort

vollopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vollopen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vollopen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vollopen: opgevuld raken met een vloeistof of een massa
Deel vollopen — standaardnederlands.nl