vindiceren
werkwoordBetekenis
- als zijn eigendommen opeisen
- wreken
werkwoord
- al zijn eigendommen opeisen transitive
Vervoeging van vindiceren
vindicerenhele werkwoord — vindiceerdeverleden tijd enkelvoud — vindiceerdenverleden tijd meervoud — gevindiceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vindiceer | vindiceerde |
| jij | vindiceert | vindiceerde |
| hij, zij, het | vindiceert | vindiceerde |
| wij | vindiceren | vindiceerden |
| jullie | vindiceren | vindiceerden |
| zij | vindiceren | vindiceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevindiceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevindiceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevindiceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevindiceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevindiceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevindiceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevindiceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevindiceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevindiceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevindiceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevindiceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevindiceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevindiceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevindiceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevindiceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevindiceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevindiceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevindiceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevindiceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevindiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevindiceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vindiceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vindiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vindiceer | gebiedende wijs |
| vindiceerde | verleden tijd |
| vindicere | aanvoegende wijs |
| vindicerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevindiceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevindiceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevindiceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevindiceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevindiceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vindiceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevindiceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevindiceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevindiceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vindiceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Latijnse vindicare met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van vindiceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevindiceerd | voltooid deelwoord | vindiceren |
| gevindiceerde | woordvorm | vindiceren |
| vindiceer | gebiedende wijs | vindiceren |
| vindiceerde | verleden tijd | vindiceren |
| vindiceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vindiceren |
| vindiceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vindiceren |
| vindicere | aanvoegende wijs | vindiceren |
| vindicerend | onvoltooid deelwoord | vindiceren |
| vindicerende | woordvorm | vindiceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vindiceren zijn vastgelegd.