Naar de inhoud

vindiceren

als zijn eigendommen opeisen

vindiceren

werkwoord

Betekenis

  1. als zijn eigendommen opeisen
  2. wreken

werkwoord

  1. al zijn eigendommen opeisen transitive

Vervoeging van vindiceren

vindicerenhele werkwoord — vindiceerdeverleden tijd enkelvoud — vindiceerdenverleden tijd meervoud — gevindiceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vindiceer vindiceerde
jij vindiceert vindiceerde
hij, zij, het vindiceert vindiceerde
wij vindiceren vindiceerden
jullie vindiceren vindiceerden
zij vindiceren vindiceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gevindiceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevindiceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevindiceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevindiceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevindiceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevindiceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevindiceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevindiceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevindiceerd verleden tijd, deelwoord
gevindiceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevindiceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevindiceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevindiceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevindiceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevindiceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevindiceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevindiceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevindiceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevindiceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevindiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevindiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevindiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevindiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevindiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevindiceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vindiceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vindiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vindiceer gebiedende wijs
vindiceerde verleden tijd
vindicere aanvoegende wijs
vindicerend onvoltooid, deelwoord
waart gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevindiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevindiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevindiceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gevindiceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gevindiceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gevindiceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gevindiceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevindiceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevindiceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vindiceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevindiceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevindiceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevindiceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vindiceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Latijnse vindicare met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van vindiceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevindiceerd voltooid deelwoord vindiceren
gevindiceerde woordvorm vindiceren
vindiceer gebiedende wijs vindiceren
vindiceerde verleden tijd vindiceren
vindiceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vindiceren
vindiceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vindiceren
vindicere aanvoegende wijs vindiceren
vindicerend onvoltooid deelwoord vindiceren
vindicerende woordvorm vindiceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vindiceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vindiceren

Wat betekent vindiceren?
Vindiceren is een werkwoord. Het woord betekent: als zijn eigendommen opeisen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vindiceren?
Je vervoegt vindiceren als volgt: de tegenwoordige tijd is vindiceer, de verleden tijd is vindiceerde en het voltooid deelwoord is gevindiceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vindiceren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. I 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. I 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vindiceren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. I 2
  3. N 1
  4. D 2
  5. I 2
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vindiceren in het kort

vindiceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vindiceren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vindiceren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vindiceren: als zijn eigendommen opeisen
Deel vindiceren — standaardnederlands.nl