vexeren
werkwoordBetekenis
- overlast aandoen, kwellen, mishandelen
Vervoeging van vexeren
vexerenhele werkwoord — vexeerdeverleden tijd enkelvoud — vexeerdenverleden tijd meervoud — gevexeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vexeer | vexeerde |
| jij | vexeert | vexeerde |
| hij, zij, het | vexeert | vexeerde |
| wij | vexeren | vexeerden |
| jullie | vexeren | vexeerden |
| zij | vexeren | vexeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevexeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevexeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevexeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevexeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevexeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevexeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevexeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevexeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevexeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevexeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevexeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevexeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevexeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vexeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vexeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vexeer | gebiedende wijs |
| vexeerde | verleden tijd |
| vexere | aanvoegende wijs |
| vexerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevexeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vexeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevexeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vexeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse vexer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van vexeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevexeerd | voltooid deelwoord | vexeren |
| vexeer | gebiedende wijs | vexeren |
| vexeerde | verleden tijd | vexeren |
| vexeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vexeren |
| vexeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vexeren |
| vexere | aanvoegende wijs | vexeren |
| vexerend | onvoltooid deelwoord | vexeren |
| vexerende | woordvorm | vexeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vexeren zijn vastgelegd.