verzwelgen
werkwoordBetekenis
- in zijn geheel opslokken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verzwelgen
verzwelgenhele werkwoord — verzwolgverleden tijd enkelvoud — verzwolgenverleden tijd meervoud — verzwolgenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzwelg | verzwolg |
| jij | verzwelgt | verzwolg |
| hij, zij, het | verzwelgt | verzwolg |
| wij | verzwelgen | verzwolgen |
| jullie | verzwelgen | verzwolgen |
| zij | verzwelgen | verzwolgen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzwolgen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzwolgen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzwolgen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzwolgen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzwolgen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzwolgen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzwolgen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzwolgen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzwolgen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzwolgen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwelg | gebiedende wijs |
| verzwelge | aanvoegende wijs |
| verzwelgend | onvoltooid, deelwoord |
| verzwolg | verleden tijd |
| verzwolgen | verleden tijd, deelwoord |
| verzwolgen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzwolgen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzwolgen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwolgen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwolgen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzwolgen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzwolgen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzwolgen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzwolgen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzwolgen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzwolgen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verzwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzwolgen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verzwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verzwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzwolgen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzwolgen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zwelgen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzwelgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzwelg | gebiedende wijs | verzwelgen |
| verzwelge | aanvoegende wijs | verzwelgen |
| verzwelgend | onvoltooid deelwoord | verzwelgen |
| verzwelgende | woordvorm | verzwelgen |
| verzwelgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzwelgen |
| verzwolg | verleden tijd | verzwelgen |
| verzwolgen | voltooid deelwoord | verzwelgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzwelgen zijn vastgelegd.