verzelfstandigen
werkwoordBetekenis
- zelfstandig maken
- zelfstandig worden
Vervoeging van verzelfstandigen
verzelfstandigenhele werkwoord — verzelfstandigdeverleden tijd enkelvoud — verzelfstandigdenverleden tijd meervoud — verzelfstandigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzelfstandig | verzelfstandigde |
| jij | verzelfstandigt | verzelfstandigde |
| hij, zij, het | verzelfstandigt | verzelfstandigde |
| wij | verzelfstandigen | verzelfstandigden |
| jullie | verzelfstandigen | verzelfstandigden |
| zij | verzelfstandigen | verzelfstandigden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzelfstandigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzelfstandigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzelfstandigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzelfstandigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzelfstandigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzelfstandigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzelfstandig | gebiedende wijs |
| verzelfstandigd | verleden tijd, deelwoord |
| verzelfstandigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzelfstandigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzelfstandigde | verleden tijd |
| verzelfstandige | aanvoegende wijs |
| verzelfstandigend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzelfstandigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzelfstandigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzelfstandigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzelfstandigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zelfstandig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verzelfstandigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzelfstandig | gebiedende wijs | verzelfstandigen |
| verzelfstandigd | voltooid deelwoord | verzelfstandigen |
| verzelfstandigde | verleden tijd | verzelfstandigen |
| verzelfstandigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzelfstandigen |
| verzelfstandige | aanvoegende wijs | verzelfstandigen |
| verzelfstandigend | onvoltooid deelwoord | verzelfstandigen |
| verzelfstandigende | woordvorm | verzelfstandigen |
| verzelfstandigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzelfstandigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzelfstandigen zijn vastgelegd.