verwonden
werkwoord vərˈwɔndə(n)Betekenis
- lichamelijk letsel veroorzaken
- lichamelijk letsel oplopen
Hoe spreek je verwonden uit?
/vərˈwɔndən/
Verwonden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verwonden
verwondenhele werkwoord — verwonddeverleden tijd enkelvoud — verwonddenverleden tijd meervoud — verwondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwond | verwondde |
| jij | verwondt | verwondde |
| hij, zij, het | verwondt | verwondde |
| wij | verwonden | verwondden |
| jullie | verwonden | verwondden |
| zij | verwonden | verwondden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verwond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verwond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verwond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verwond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verwond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verwond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verwond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verwond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwonden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwonden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond | gebiedende wijs |
| verwond | verleden tijd, deelwoord |
| verwond me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond u/je , verwondt je | gebiedende wijs |
| verwond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwondde | verleden tijd |
| verwondde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verwondde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verwondde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwonde | aanvoegende wijs |
| verwonde zich | aanvoegende wijs |
| verwonden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwonden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwonden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwondend | onvoltooid, deelwoord |
| verwondt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwondt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwondt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwondt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verwonden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verwond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verwonden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verwonden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verwond hebben | verleden tijd |
| zich verwondend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verwonden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verwonden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van verwinden
- voltooid deelwoord van verwinden
Vervoeging van verwonden
verwondenhele werkwoord — verwonddeverleden tijd enkelvoud — verwonddenverleden tijd meervoud — verwondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwond | verwondde |
| jij | verwondt | verwondde |
| hij, zij, het | verwondt | verwondde |
| wij | verwonden | verwondden |
| jullie | verwonden | verwondden |
| zij | verwonden | verwondden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verwond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verwond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verwond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verwond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verwond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verwond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verwond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verwond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwonden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwonden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond | gebiedende wijs |
| verwond | verleden tijd, deelwoord |
| verwond me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwond u/je , verwondt je | gebiedende wijs |
| verwond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwondde | verleden tijd |
| verwondde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verwondde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verwondde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwondden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verwonde | aanvoegende wijs |
| verwonde zich | aanvoegende wijs |
| verwonden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwonden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwonden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwondend | onvoltooid, deelwoord |
| verwondt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwondt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verwondt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verwondt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verwondt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verwond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verwond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verwonden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verwond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verwonden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verwonden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verwond hebben | verleden tijd |
| zich verwondend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwonden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verwonden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verwonden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van wonden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verwonden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwondde | verleden tijd | verwonden |
| verwondden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwonden |
| verwonde | aanvoegende wijs | verwonden |
| verwondend | onvoltooid deelwoord | verwonden |
| verwondende | woordvorm | verwonden |
| verwondt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwonden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwonden zijn vastgelegd.