verwijlen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- zich ophouden
Vervoeging van verwijlen
verwijlenhele werkwoord — verwijldeverleden tijd enkelvoud — verwijldenverleden tijd meervoud — verwijldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwijl | verwijlde |
| jij | verwijlt | verwijlde |
| hij, zij, het | verwijlt | verwijlde |
| wij | verwijlen | verwijlden |
| jullie | verwijlen | verwijlden |
| zij | verwijlen | verwijlden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwijld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwijld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwijld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwijld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwijld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwijld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwijld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwijld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwijlen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwijl | gebiedende wijs |
| verwijld | verleden tijd, deelwoord |
| verwijld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwijld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwijlde | verleden tijd |
| verwijle | aanvoegende wijs |
| verwijlend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwijld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwijlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwijld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwijlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verwijl
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vertoeven’ voor het eerst aangetroffen in 1580
Woordfamilie van verwijlen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwijld | voltooid deelwoord | verwijlen |
| verwijlde | verleden tijd | verwijlen |
| verwijlden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwijlen |
| verwijle | aanvoegende wijs | verwijlen |
| verwijlend | onvoltooid deelwoord | verwijlen |
| verwijlende | woordvorm | verwijlen |
| verwijlt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwijlen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwijlen zijn vastgelegd.