verweken
werkwoordBetekenis
- geleidelijk zachter worden
- zachter maken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verweken
verwekenhele werkwoord — verweekteverleden tijd enkelvoud — verweektenverleden tijd meervoud — verweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verweek | verweekte |
| jij | verweekt | verweekte |
| hij, zij, het | verweekt | verweekte |
| wij | verweken | verweekten |
| jullie | verweken | verweekten |
| zij | verweken | verweekten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verweekt | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was verweekt | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd verweekt | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt verweekt | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verweekt worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verweekt zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou verweekt worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou verweekt zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben verweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn verweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verweken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweek | gebiedende wijs |
| verweekt | verleden tijd, deelwoord |
| verweekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweekt te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweekt zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweekte | verleden tijd |
| verweke | aanvoegende wijs |
| verwekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verweken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verweken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van weken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verweken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verweek | gebiedende wijs | verweken |
| verweekt | voltooid deelwoord | verweken |
| verweekte | verleden tijd | verweken |
| verweekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verweken |
| verweke | aanvoegende wijs | verweken |
| verwekend | onvoltooid deelwoord | verweken |
| verwekende | woordvorm | verweken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verweken zijn vastgelegd.