vervormen
werkwoordBetekenis
- de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
- het proces van vormverandering, gewoonlijk in negatieve zin
Vervoeging van vervormen
vervormenhele werkwoord — vervormdeverleden tijd enkelvoud — vervormdenverleden tijd meervoud — vervormdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervorm | vervormde |
| jij | vervormt | vervormde |
| hij, zij, het | vervormt | vervormde |
| wij | vervormen | vervormden |
| jullie | vervormen | vervormden |
| zij | vervormen | vervormden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vervormd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was vervormd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd vervormd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt vervormd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal vervormd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal vervormd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou vervormd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou vervormd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben vervormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn vervormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervormen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervorm | gebiedende wijs |
| vervormd | verleden tijd, deelwoord |
| vervormd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vervormd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vervormd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervormd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervormd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervormd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vervormd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vervormd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervormd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervormd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervormde | verleden tijd |
| vervorme | aanvoegende wijs |
| vervormend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vervormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vervormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vervormd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vervormd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vervormd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vervormd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vervormd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vervormd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vervormd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervormd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervormen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vervormd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervormd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervormen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van vormen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vervormen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervorm | gebiedende wijs | vervormen |
| vervormd | voltooid deelwoord | vervormen |
| vervormde | verleden tijd | vervormen |
| vervormden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vervormen |
| vervorme | aanvoegende wijs | vervormen |
| vervormend | onvoltooid deelwoord | vervormen |
| vervormende | woordvorm | vervormen |
| vervormt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervormen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervormen zijn vastgelegd.