Naar de inhoud

verveelvoudigen

vermenigvuldigen, copiëren

verveelvoudigen

werkwoord

Betekenis

  1. vermenigvuldigen, copiëren

Vervoeging van verveelvoudigen

verveelvoudigenhele werkwoord — verveelvoudigdeverleden tijd enkelvoud — verveelvoudigdenverleden tijd meervoud — verveelvoudigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verveelvoudig verveelvoudigde
jij verveelvoudigt verveelvoudigde
hij, zij, het verveelvoudigt verveelvoudigde
wij verveelvoudigen verveelvoudigden
jullie verveelvoudigen verveelvoudigden
zij verveelvoudigen verveelvoudigden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verveelvoudigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verveelvoudigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verveelvoudigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verveelvoudigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verveelvoudigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verveelvoudigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verveelvoudigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verveelvoudigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verveelvoudigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verveelvoudigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verveelvoudigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verveelvoudigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verveelvoudig gebiedende wijs
verveelvoudigd verleden tijd, deelwoord
verveelvoudigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verveelvoudigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verveelvoudigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verveelvoudigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verveelvoudigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verveelvoudigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verveelvoudigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verveelvoudigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verveelvoudigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verveelvoudigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verveelvoudigde verleden tijd
verveelvoudige aanvoegende wijs
verveelvoudigend onvoltooid, deelwoord
waart verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verveelvoudigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verveelvoudigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verveelvoudigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verveelvoudigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verveelvoudigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verveelvoudigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult verveelvoudigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verveelvoudigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verveelvoudigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verveelvoudigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van veelvoudig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van verveelvoudigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verveelvoudig gebiedende wijs verveelvoudigen
verveelvoudigd voltooid deelwoord verveelvoudigen
verveelvoudigde verleden tijd verveelvoudigen
verveelvoudigden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verveelvoudigen
verveelvoudige aanvoegende wijs verveelvoudigen
verveelvoudigend onvoltooid deelwoord verveelvoudigen
verveelvoudigende woordvorm verveelvoudigen
verveelvoudigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verveelvoudigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verveelvoudigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over verveelvoudigen

Wat betekent verveelvoudigen?
Verveelvoudigen is een werkwoord. Het woord betekent: vermenigvuldigen, copiëren.
Hoe vervoeg je verveelvoudigen?
Je vervoegt verveelvoudigen als volgt: de tegenwoordige tijd is verveelvoudig, de verleden tijd is verveelvoudigde en het voltooid deelwoord is verveelvoudigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verveelvoudigen is 33 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. V 4
  5. E 1
  6. E 1
  7. L 3
  8. V 4
  9. O 1
  10. U 4
  11. D 2
  12. I 1
  13. G 3
  14. E 1
  15. N 1
  16. 33 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verveelvoudigen levert met Wordfeud minimaal 32 en maximaal 120 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. V 4
  5. E 1
  6. E 1
  7. L 3
  8. V 4
  9. O 1
  10. U 2
  11. D 2
  12. I 2
  13. G 3
  14. E 1
  15. N 1
  16. 32 zonder bonus
  17. 120 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verveelvoudigen in het kort

verveelvoudigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van verveelvoudigen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verveelvoudigen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verveelvoudigen: vermenigvuldigen, copiëren
Deel verveelvoudigen — standaardnederlands.nl