vertolken
werkwoordBetekenis
- vertalen, het van de ene taal omzetten in een andere taal
- schrift of gebaar:
- De woorden van de spreker werden vertolkt in gebarentaal.
- Daarmee vertolkte hij de onvrede die leefde onder de kustbewoners.
- toneelstuk, opera of de choreografie van een ballet, in het theater tot uitvoering brengen
- Zij vertolkte Tosca als geen ander.
- het aanpassen van oorspronkelijk materiaal aan een andere tijd of smaak
- De moderne wijze van vertolken van oude muziek vind ik maar niets. Veel te snel!
Vervoeging van vertolken
vertolkenhele werkwoord — vertolkteverleden tijd enkelvoud — vertolktenverleden tijd meervoud — vertolktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertolk | vertolkte |
| jij | vertolkt | vertolkte |
| hij, zij, het | vertolkt | vertolkte |
| wij | vertolken | vertolkten |
| jullie | vertolken | vertolkten |
| zij | vertolken | vertolkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vertolkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vertolkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vertolkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vertolkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vertolkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vertolkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vertolkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertolkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertolkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vertolkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vertolken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vertolken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertolk | gebiedende wijs |
| vertolke | aanvoegende wijs |
| vertolkend | onvoltooid, deelwoord |
| vertolkt | verleden tijd, deelwoord |
| vertolkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertolkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertolkte | verleden tijd |
| zal vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vertolkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vertolken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vertolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vertolkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van tolk met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vertolken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertolk | gebiedende wijs | vertolken |
| vertolke | aanvoegende wijs | vertolken |
| vertolkend | onvoltooid deelwoord | vertolken |
| vertolkende | woordvorm | vertolken |
| vertolkt | voltooid deelwoord | vertolken |
| vertolkte | verleden tijd | vertolken |
| vertolkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vertolken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertolken zijn vastgelegd.