versuffen
werkwoordBetekenis
- suf worden
Vervoeging van versuffen
versuffenhele werkwoord — versufteverleden tijd enkelvoud — versuftenverleden tijd meervoud — versuftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versuf | versufte |
| jij | versuft | versufte |
| hij, zij, het | versuft | versufte |
| wij | versuffen | versuften |
| jullie | versuffen | versuften |
| zij | versuffen | versuften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is versuft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was versuft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd versuft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt versuft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal versuft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal versuft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou versuft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou versuft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had versuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had versuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had versuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden versuft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden versuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden versuft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt versuft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versuft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben versuft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te versuffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen versuffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versuf | gebiedende wijs |
| versuffe | aanvoegende wijs |
| versuffend | onvoltooid, deelwoord |
| versuft | verleden tijd, deelwoord |
| versuft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versuft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versufte | verleden tijd |
| zal versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt versuft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen versuffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult versuffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult versuft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van suffen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van versuffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versuf | gebiedende wijs | versuffen |
| versuffe | aanvoegende wijs | versuffen |
| versuffend | onvoltooid deelwoord | versuffen |
| versuffende | woordvorm | versuffen |
| versuften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | versuffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versuffen zijn vastgelegd.