verstuiken
werkwoordBetekenis
- gewrichtsletsel oplopen waarbij geen botbreuk optreedt en de gewrichtvlakken nog wel stabiel naast elkaar blijven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verstuiken
verstuikenhele werkwoord — verstuikteverleden tijd enkelvoud — verstuiktenverleden tijd meervoud — verstuiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstuik | verstuikte |
| jij | verstuikt | verstuikte |
| hij, zij, het | verstuikt | verstuikte |
| wij | verstuiken | verstuikten |
| jullie | verstuiken | verstuikten |
| zij | verstuiken | verstuikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstuikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstuikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstuikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstuikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstuikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstuikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstuikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstuikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstuikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstuikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstuikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstuikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstuikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstuikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstuiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstuiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstuik | gebiedende wijs |
| verstuike | aanvoegende wijs |
| verstuikend | onvoltooid, deelwoord |
| verstuikt | verleden tijd, deelwoord |
| verstuikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstuikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstuikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstuikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstuikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstuikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstuikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstuikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstuikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstuikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstuikte | verleden tijd |
| waart verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstuikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstuikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstuikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstuikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstuikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstuikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstuikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verstuikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstuikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verstuiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verstuiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verstuikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstuikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstuikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van stuiken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verstuiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstuik | gebiedende wijs | verstuiken |
| verstuike | aanvoegende wijs | verstuiken |
| verstuikend | onvoltooid deelwoord | verstuiken |
| verstuikende | woordvorm | verstuiken |
| verstuikt | voltooid deelwoord | verstuiken |
| verstuikte | verleden tijd | verstuiken |
| verstuikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstuiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstuiken zijn vastgelegd.