versplinteren
werkwoordBetekenis
- tot splinters maken
Vervoeging van versplinteren
versplinterenhele werkwoord — versplinterdeverleden tijd enkelvoud — versplinterdenverleden tijd meervoud — versplinterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versplinter | versplinterde |
| jij | versplintert | versplinterde |
| hij, zij, het | versplintert | versplinterde |
| wij | versplinteren | versplinterden |
| jullie | versplinteren | versplinterden |
| zij | versplinteren | versplinterden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is versplinterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was versplinterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd versplinterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt versplinterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal versplinterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal versplinterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou versplinterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou versplinterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had versplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had versplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden versplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden versplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versplinterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben versplinterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te versplinteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen versplinteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versplinter | gebiedende wijs |
| versplinterd | verleden tijd, deelwoord |
| versplinterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versplinterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versplinterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versplinterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versplinterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versplinterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versplinterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versplinterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versplinterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versplinterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versplinterde | verleden tijd |
| versplintere | aanvoegende wijs |
| versplinterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was versplinterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was versplinterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was versplinterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt versplinterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt versplinterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt versplinterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versplinterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versplinteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult versplinterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versplinterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versplinterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versplinteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van splinteren met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van versplinteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versplinter | gebiedende wijs | versplinteren |
| versplinterd | voltooid deelwoord | versplinteren |
| versplinterde | verleden tijd | versplinteren |
| versplinterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | versplinteren |
| versplintere | aanvoegende wijs | versplinteren |
| versplinterend | onvoltooid deelwoord | versplinteren |
| versplinterende | woordvorm | versplinteren |
| versplintert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | versplinteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versplinteren zijn vastgelegd.