versmelten
werkwoordBetekenis
- gaandeweg verminderen of verdwijnen
- in elkaar overgaan
- (metaalkunde) door te smelten tot een geheel maken
- door te smelten weer tot basismateriaal maken
werkwoord
- door te smelten tot een geheel maken transitive
Vervoeging van versmelten
versmeltenhele werkwoord — versmoltverleden tijd enkelvoud — versmoltenverleden tijd meervoud — versmoltenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versmelt | versmolt |
| jij | versmelt | versmolt |
| hij, zij, het | versmelt | versmolt |
| wij | versmelten | versmolten |
| jullie | versmelten | versmolten |
| zij | versmelten | versmolten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is versmolten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was versmolten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd versmolten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt versmolten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal versmolten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal versmolten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou versmolten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou versmolten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had versmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had versmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden versmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden versmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben versmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te versmelten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen versmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versmelt | gebiedende wijs |
| versmelte | aanvoegende wijs |
| versmeltend | onvoltooid, deelwoord |
| versmolt | verleden tijd |
| versmolten | verleden tijd, deelwoord |
| versmolten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versmolten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versmolten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versmolten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versmolten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versmolten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versmolten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versmolten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versmolten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versmolten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was versmolten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was versmolten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was versmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt versmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt versmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt versmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt versmolten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen versmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult versmelten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult versmolten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van smelten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van versmelten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versmelt | gebiedende wijs | versmelten |
| versmelte | aanvoegende wijs | versmelten |
| versmeltend | onvoltooid deelwoord | versmelten |
| versmeltende | woordvorm | versmelten |
| versmolt | verleden tijd | versmelten |
| versmolten | voltooid deelwoord | versmelten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versmelten zijn vastgelegd.