verslingeren
werkwoordBetekenis
- verknocht, gehecht raken aan iets of iemand
Vervoeging van verslingeren
verslingerenhele werkwoord — verslingerdeverleden tijd enkelvoud — verslingerdenverleden tijd meervoud — verslingerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verslinger | verslingerde |
| jij | verslingert | verslingerde |
| hij, zij, het | verslingert | verslingerde |
| wij | verslingeren | verslingerden |
| jullie | verslingeren | verslingerden |
| zij | verslingeren | verslingerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verslingerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verslingerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verslingerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verslingerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verslingerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verslingerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verslingerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslingerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslingerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verslingerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verslingeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verslingeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslinger | gebiedende wijs |
| verslingerd | verleden tijd, deelwoord |
| verslingerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslingerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslingerde | verleden tijd |
| verslingere | aanvoegende wijs |
| verslingerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verslingerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verslingeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verslingerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verslingeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van slingeren met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verslingeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verslinger | gebiedende wijs | verslingeren |
| verslingerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verslingeren |
| verslingere | aanvoegende wijs | verslingeren |
| verslingerend | onvoltooid deelwoord | verslingeren |
| verslingerende | woordvorm | verslingeren |
| verslingert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verslingeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verslingeren zijn vastgelegd.