verslechteren
werkwoordBetekenis
- slechter worden, achteruitgaan
- slechter maken
Vervoeging van verslechteren
verslechterenhele werkwoord — verslechterdeverleden tijd enkelvoud — verslechterdenverleden tijd meervoud — verslechterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verslechter | verslechterde |
| jij | verslechtert | verslechterde |
| hij, zij, het | verslechtert | verslechterde |
| wij | verslechteren | verslechterden |
| jullie | verslechteren | verslechterden |
| zij | verslechteren | verslechterden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verslechteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verslechterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verslechteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslechter | gebiedende wijs |
| verslechterd | verleden tijd, deelwoord |
| verslechterd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslechterd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslechterde | verleden tijd |
| verslechtere | aanvoegende wijs |
| verslechterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verslechterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslechterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verslechterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslechterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verslechterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verslechterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verslechterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verslechterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verslechterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verslechterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verslechteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verslechterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verslechteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van slecht met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -eren.
Woordfamilie van verslechteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verslechter | gebiedende wijs | verslechteren |
| verslechterd | voltooid deelwoord | verslechteren |
| verslechterde | verleden tijd | verslechteren |
| verslechterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verslechteren |
| verslechtere | aanvoegende wijs | verslechteren |
| verslechterend | onvoltooid deelwoord | verslechteren |
| verslechterende | woordvorm | verslechteren |
| verslechtert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verslechteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verslechteren zijn vastgelegd.