verschoppen
werkwoordBetekenis
- schoppend verplaatsen
Vervoeging van verschoppen
verschoppenhele werkwoord — verschopteverleden tijd enkelvoud — verschoptenverleden tijd meervoud — verschoptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschop | verschopte |
| jij | verschopt | verschopte |
| hij, zij, het | verschopt | verschopte |
| wij | verschoppen | verschopten |
| jullie | verschoppen | verschopten |
| zij | verschoppen | verschopten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verschopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verschopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verschopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verschopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verschopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verschopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verschopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verschopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verschoppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschop | gebiedende wijs |
| verschoppe | aanvoegende wijs |
| verschoppend | onvoltooid, deelwoord |
| verschopt | verleden tijd, deelwoord |
| verschopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschopte | verleden tijd |
| zal verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verschopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verschoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verschoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verschopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van schoppen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verschoppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verschop | gebiedende wijs | verschoppen |
| verschoppe | aanvoegende wijs | verschoppen |
| verschoppend | onvoltooid deelwoord | verschoppen |
| verschoppende | woordvorm | verschoppen |
| verschopt | voltooid deelwoord | verschoppen |
| verschopte | verleden tijd | verschoppen |
| verschopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verschoppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschoppen zijn vastgelegd.