verschansen
werkwoordBetekenis
- zich ~: zijn toevlucht zoeken in een versterkte defensieve positie
Vervoeging van verschansen
verschansenhele werkwoord — verschansteverleden tijd enkelvoud — verschanstenverleden tijd meervoud — verschanstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschans | verschanste |
| jij | verschanst | verschanste |
| hij, zij, het | verschanst | verschanste |
| wij | verschansen | verschansten |
| jullie | verschansen | verschansten |
| zij | verschansen | verschansten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verschanst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verschanst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verschanst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verschanst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verschanst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verschanst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verschanst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verschanst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verschanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verschanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verschanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verschanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verschanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verschansen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschans | gebiedende wijs |
| verschans me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verschans u/je , verschanst je | gebiedende wijs |
| verschanse | aanvoegende wijs |
| verschanse zich | aanvoegende wijs |
| verschansen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verschansen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verschansen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verschansend | onvoltooid, deelwoord |
| verschanst | verleden tijd, deelwoord |
| verschanst je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verschanst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschanst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschanst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschanst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschanst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschanst u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verschanst u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verschanst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschanst zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verschanst zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verschanst zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verschanst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschanst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschanst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschanst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschanste | verleden tijd |
| verschanste je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verschanste me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verschanste u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verschanste u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verschanste zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verschanste zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verschanste zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verschansten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verschansten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verschansten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verschanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verschanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verschanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verschanst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verschanst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verschansen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verschanst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verschanst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verschanst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschanst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verschansen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verschansen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verschansend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verschanst hebben | verleden tijd |
| zijn verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verschanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verschanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschanst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschanst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verschansen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verschansen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verschansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van schans met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verschansen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verschans | gebiedende wijs | verschansen |
| verschanse | aanvoegende wijs | verschansen |
| verschansend | onvoltooid deelwoord | verschansen |
| verschansende | woordvorm | verschansen |
| verschanst | voltooid deelwoord | verschansen |
| verschanste | verleden tijd | verschansen |
| verschansten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verschansen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschansen zijn vastgelegd.