verrukken
werkwoordBetekenis
- in vervoering brengen
Vervoeging van verrukken
verrukkenhele werkwoord — verrukteverleden tijd enkelvoud — verruktenverleden tijd meervoud — verruktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verruk | verrukte |
| jij | verrukt | verrukte |
| hij, zij, het | verrukt | verrukte |
| wij | verrukken | verrukten |
| jullie | verrukken | verrukten |
| zij | verrukken | verrukten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verrukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verrukt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verrukt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verrukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verrukt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verrukt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verrukt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verrukt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verrukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verrukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verruk | gebiedende wijs |
| verrukke | aanvoegende wijs |
| verrukkend | onvoltooid, deelwoord |
| verrukt | verleden tijd, deelwoord |
| verrukt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrukt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrukt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrukt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrukt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrukt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrukt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrukt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrukte | verleden tijd |
| waart verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verrukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verrukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verrukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verrukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verrukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verrukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verrukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verrukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verrukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verrukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verrukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van rukken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verrukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verruk | gebiedende wijs | verrukken |
| verrukke | aanvoegende wijs | verrukken |
| verrukkend | onvoltooid deelwoord | verrukken |
| verrukkende | woordvorm | verrukken |
| verrukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verrukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verrukken zijn vastgelegd.