verrechtvaardigen
werkwoordBetekenis
- goed praten
Vervoeging van verrechtvaardigen
verrechtvaardigenhele werkwoord — verrechtvaardigdeverleden tijd enkelvoud — verrechtvaardigdenverleden tijd meervoud — verrechtvaardigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verrechtvaardig | verrechtvaardigde |
| jij | verrechtvaardigt | verrechtvaardigde |
| hij, zij, het | verrechtvaardigt | verrechtvaardigde |
| wij | verrechtvaardigen | verrechtvaardigden |
| jullie | verrechtvaardigen | verrechtvaardigden |
| zij | verrechtvaardigen | verrechtvaardigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verrechtvaardigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verrechtvaardigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verrechtvaardigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verrechtvaardigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verrechtvaardigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verrechtvaardigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verrechtvaardigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verrechtvaardigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrechtvaardigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verrechtvaardigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verrechtvaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verrechtvaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrechtvaardig | gebiedende wijs |
| verrechtvaardigd | verleden tijd, deelwoord |
| verrechtvaardigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrechtvaardigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrechtvaardigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrechtvaardigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrechtvaardigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrechtvaardigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrechtvaardigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrechtvaardigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrechtvaardigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrechtvaardigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrechtvaardigde | verleden tijd |
| verrechtvaardige | aanvoegende wijs |
| verrechtvaardigend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verrechtvaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verrechtvaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verrechtvaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verrechtvaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrechtvaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verrechtvaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verrechtvaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verrechtvaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verrechtvaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verrechtvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afleiding van rechtvaardig met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verrechtvaardigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verrechtvaardig | gebiedende wijs | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigd | voltooid deelwoord | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigde | verleden tijd | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardige | aanvoegende wijs | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigend | onvoltooid deelwoord | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigende | woordvorm | verrechtvaardigen |
| verrechtvaardigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verrechtvaardigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verrechtvaardigen zijn vastgelegd.