verpatsen
werkwoordBetekenis
- iets haastig of voor een sub-optimale prijs verkopen om aan geld te komen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verpatsen
verpatsenhele werkwoord — verpatsteverleden tijd enkelvoud — verpatstenverleden tijd meervoud — verpatstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verpats | verpatste |
| jij | verpatst | verpatste |
| hij, zij, het | verpatst | verpatste |
| wij | verpatsen | verpatsten |
| jullie | verpatsen | verpatsten |
| zij | verpatsen | verpatsten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is verpatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verpatst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verpatst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verpatst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verpatst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verpatst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verpatst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verpatst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verpatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verpatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verpatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verpatst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verpatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verpatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verpatst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verpatst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verpatsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verpatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpats | gebiedende wijs |
| verpatse | aanvoegende wijs |
| verpatsend | onvoltooid, deelwoord |
| verpatst | verleden tijd, deelwoord |
| verpatst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpatst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verpatst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpatst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpatst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verpatst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpatst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verpatst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpatst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpatst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verpatste | verleden tijd |
| waren verpatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verpatst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verpatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden verpatst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden verpatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verpatst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verpatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verpatst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verpatst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verpatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verpatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpatst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verpatst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verpatst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verpatsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpatst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verpatst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verpatsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verpatst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘Bargoens: beneden de prijs verkopen’ voor het eerst aangetroffen in 1860
Woordfamilie van verpatsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verpats | gebiedende wijs | verpatsen |
| verpatse | aanvoegende wijs | verpatsen |
| verpatsend | onvoltooid deelwoord | verpatsen |
| verpatsende | woordvorm | verpatsen |
| verpatst | voltooid deelwoord | verpatsen |
| verpatste | verleden tijd | verpatsen |
| verpatsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verpatsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verpatsen zijn vastgelegd.