vernoemen
werkwoordBetekenis
- ergens naar noemen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van vernoemen
vernoemenhele werkwoord — vernoemdeverleden tijd enkelvoud — vernoemdenverleden tijd meervoud — vernoemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vernoem | vernoemde |
| jij | vernoemt | vernoemde |
| hij, zij, het | vernoemt | vernoemde |
| wij | vernoemen | vernoemden |
| jullie | vernoemen | vernoemden |
| zij | vernoemen | vernoemden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vernoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vernoemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vernoemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vernoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vernoemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vernoemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vernoemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vernoemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vernoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vernoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vernoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vernoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vernoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vernoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vernoemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vernoemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernoem | gebiedende wijs |
| vernoemd | verleden tijd, deelwoord |
| vernoemd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vernoemd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vernoemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernoemd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernoemd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernoemd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vernoemd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vernoemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernoemd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernoemd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernoemde | verleden tijd |
| vernoeme | aanvoegende wijs |
| vernoemend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vernoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vernoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vernoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vernoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vernoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vernoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernoemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vernoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van noemen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vernoemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vernoem | gebiedende wijs | vernoemen |
| vernoemd | voltooid deelwoord | vernoemen |
| vernoemde | verleden tijd | vernoemen |
| vernoemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vernoemen |
| vernoeme | aanvoegende wijs | vernoemen |
| vernoemend | onvoltooid deelwoord | vernoemen |
| vernoemende | woordvorm | vernoemen |
| vernoemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vernoemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vernoemen zijn vastgelegd.