vermenselijken
werkwoord vərˈmɛnsələkə(n)Betekenis
- meer laten lijken op menselijk gedrag
- aan iets dat geen mens is, menselijke eigenschappen toedichten
- laten zien dat een bijzonder (soort) mens ook maar een gewoon mens is
Hoe spreek je vermenselijken uit?
/vərˈmɛnsələkən/
Vermenselijken bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
| l | land |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vermenselijken
vermenselijkenhele werkwoord — vermenselijkteverleden tijd enkelvoud — vermenselijktenverleden tijd meervoud — vermenselijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vermenselijk | vermenselijkte |
| jij | vermenselijkt | vermenselijkte |
| hij, zij, het | vermenselijkt | vermenselijkte |
| wij | vermenselijken | vermenselijkten |
| jullie | vermenselijken | vermenselijkten |
| zij | vermenselijken | vermenselijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vermenselijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vermenselijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vermenselijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vermenselijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vermenselijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vermenselijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vermenselijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vermenselijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermenselijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vermenselijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vermenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vermenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermenselijk | gebiedende wijs |
| vermenselijke | aanvoegende wijs |
| vermenselijkend | onvoltooid, deelwoord |
| vermenselijkt | verleden tijd, deelwoord |
| vermenselijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermenselijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermenselijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermenselijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermenselijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermenselijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermenselijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermenselijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermenselijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermenselijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermenselijkte | verleden tijd |
| waart vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vermenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vermenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vermenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vermenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vermenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vermenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vermenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vermenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vermenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afleiding van menselijk met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vermenselijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vermenselijk | gebiedende wijs | vermenselijken |
| vermenselijke | aanvoegende wijs | vermenselijken |
| vermenselijkend | onvoltooid deelwoord | vermenselijken |
| vermenselijkende | woordvorm | vermenselijken |
| vermenselijkt | voltooid deelwoord | vermenselijken |
| vermenselijkte | verleden tijd | vermenselijken |
| vermenselijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vermenselijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermenselijken zijn vastgelegd.