Naar de inhoud

vermenselijken

meer laten lijken op menselijk gedrag

vermenselijken

werkwoord vərˈmɛnsələkə(n)

Betekenis

  1. meer laten lijken op menselijk gedrag
  2. aan iets dat geen mens is, menselijke eigenschappen toedichten
  3. laten zien dat een bijzonder (soort) mens ook maar een gewoon mens is

Hoe spreek je vermenselijken uit?

/vərˈmɛnsələkən/

Vermenselijken bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈmɛnsələkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
m maan
ɛ bed
n nek
s sok
l land
k kat
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vermenselijken

vermenselijkenhele werkwoord — vermenselijkteverleden tijd enkelvoud — vermenselijktenverleden tijd meervoud — vermenselijktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vermenselijk vermenselijkte
jij vermenselijkt vermenselijkte
hij, zij, het vermenselijkt vermenselijkte
wij vermenselijken vermenselijkten
jullie vermenselijken vermenselijkten
zij vermenselijken vermenselijkten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vermenselijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vermenselijkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vermenselijkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vermenselijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vermenselijkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vermenselijkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vermenselijkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vermenselijkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vermenselijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vermenselijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vermenselijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vermenselijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vermenselijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vermenselijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vermenselijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vermenselijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermenselijk gebiedende wijs
vermenselijke aanvoegende wijs
vermenselijkend onvoltooid, deelwoord
vermenselijkt verleden tijd, deelwoord
vermenselijkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vermenselijkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vermenselijkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermenselijkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermenselijkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermenselijkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vermenselijkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vermenselijkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermenselijkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermenselijkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermenselijkte verleden tijd
waart vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vermenselijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vermenselijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vermenselijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vermenselijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vermenselijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vermenselijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vermenselijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vermenselijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vermenselijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen vermenselijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult vermenselijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vermenselijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vermenselijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vermenselijkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afleiding van menselijk met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van vermenselijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vermenselijk gebiedende wijs vermenselijken
vermenselijke aanvoegende wijs vermenselijken
vermenselijkend onvoltooid deelwoord vermenselijken
vermenselijkende woordvorm vermenselijken
vermenselijkt voltooid deelwoord vermenselijken
vermenselijkte verleden tijd vermenselijken
vermenselijkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vermenselijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermenselijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vermenselijken

Hoe spreek je vermenselijken uit?
De uitspraak van vermenselijken is: /vərˈmɛnsələkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent vermenselijken?
Vermenselijken is een werkwoord. Het woord betekent: meer laten lijken op menselijk gedrag. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vermenselijken?
Je vervoegt vermenselijken als volgt: de tegenwoordige tijd is vermenselijk, de verleden tijd is vermenselijkte en het voltooid deelwoord is vermenselijkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vermenselijken is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. I 1
  11. J 4
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vermenselijken levert met Wordfeud minimaal 29 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. S 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. I 2
  11. J 4
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 29 zonder bonus
  16. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vermenselijken in het kort

vermenselijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vermenselijken zijn 74 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vermenselijken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vermenselijken: meer laten lijken op menselijk gedrag
Deel vermenselijken — standaardnederlands.nl