verluiden
werkwoordBetekenis
- het luiden van klokken —al of niet van de kerk— naar aanleiding van het overlijden van iemand
- hard laten klinken
- zich laten ~ kennis geven van iets
- horen ~ op een of andere wijze vernemen
- naar ~: zoals vernomen is (vaak uit onduidelijke of mogelijk niet geloofwaardige bron)
Vervoeging van verluiden
verluidenhele werkwoord — verluiddeverleden tijd enkelvoud — verluiddenverleden tijd meervoud — hebben verluidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verluid | verluidde |
| jij | verluidt | verluidde |
| hij, zij, het | verluidt | verluidde |
| wij | verluiden | verluidden |
| jullie | verluiden | verluidden |
| zij | verluiden | verluidden |
Alle 66 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verluid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verluid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verluid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verluid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verluid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verluid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verluid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verluid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verluid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verluid | verleden tijd, deelwoord |
| hebben verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verluid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verluiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verluiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verluid | gebiedende wijs |
| verluid | verleden tijd, deelwoord |
| verluid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verluid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verluidde | verleden tijd |
| verluide | aanvoegende wijs |
| verluidend | onvoltooid, deelwoord |
| verluidt | tegenwoordige tijd |
| zal verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verluiden | toekomende tijd |
| zal verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verluiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verluiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van luiden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verluiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verluid | voltooid deelwoord | verluiden |
| verluidde | verleden tijd | verluiden |
| verluidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verluiden |
| verluide | aanvoegende wijs | verluiden |
| verluidend | onvoltooid deelwoord | verluiden |
| verluidende | woordvorm | verluiden |
| verluidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verluiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verluiden zijn vastgelegd.