verloederen
werkwoord /vərˈludərə(n)/Betekenis
- te gronde gaan
Hoe spreek je verloederen uit?
/vərˈludərən/
Verloederen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| u | boek |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verloederen
verloederenhele werkwoord — verloederdeverleden tijd enkelvoud — verloederdenverleden tijd meervoud — verloederdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verloeder | verloederde |
| jij | verloedert | verloederde |
| hij, zij, het | verloedert | verloederde |
| wij | verloederen | verloederden |
| jullie | verloederen | verloederden |
| zij | verloederen | verloederden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verloederen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verloederd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verloederen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verloeder | gebiedende wijs |
| verloederd | verleden tijd, deelwoord |
| verloederd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verloederd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verloederde | verleden tijd |
| verloedere | aanvoegende wijs |
| verloederend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verloederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verloederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verloederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verloederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verloederd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verloederd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verloederd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verloederd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verloederd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verloederd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verloederen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verloederd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verloederen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van loeder met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verloederen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verloeder | gebiedende wijs | verloederen |
| verloederden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verloederen |
| verloedere | aanvoegende wijs | verloederen |
| verloederend | onvoltooid deelwoord | verloederen |
| verloederende | woordvorm | verloederen |
| verloedert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verloederen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verloederen zijn vastgelegd.